Suriname ALTIJD Dichtbij

Ruben Gowricharn

Column: Een kwestie van zelfrespect

Geplaatst

op

De oude vrouw schuifelde voorzichtig door de deur, ondersteund door haar twaalfjarige kleindochter. De dokter keek op. Hij herkende het beeld: eerste generatie, ongeschoolde Marokkaanse vrouw, afhankelijk van man, kinderen, kleinkinderen, overheidsdiensten, Hollandse buren en Joost mag weten wie nog meer. In de beeldvorming zijn ze een wandelend stukje mislukte integratie. De kleindochter, laten we haar Fatima noemen, trad op als tolk. Dat ging ogenschijnlijk vloeiend, totdat Fatima een woord niet goed had overgebracht. Toen werd ze onderbroken door oma, die haar ongeduldig corrigeerde. Oma verstond wel Nederlands, zij het in flarden, maar durfde het niet aan om alleen naar vreemde witte mannen toe te gaan. Je wist nooit wat die precies bedoelen, je wist ook niet of ze datgene zeiden wat ze bedoelen, maar je wist wel dat allochtonen de schuld zouden krijgen als het mis zou gaan. Daarom moest en zou Fatima mee met oma: als steun en als getuige. Altijd. En oma moest vaak naar verschillende diensten: de belastingdienst, de vreemdelingendienst, de sociale dienst, de ziekenhuizen, de buurt en wijkcentra, de talencentra, de stemlokalen, de politie. U begrijpt het: oma was behoorlijk ingeburgerd. Ze kende de werking van al die diensten beter dan de verantwoordelijke wethouder, ze wist ook hoe je kon worden afgepoeierd of betutteld, en waar de schoen wrong in het functioneren van deze diensten. En Fatima? Op haar twaalfde jaar kende dit meisje de institutionele kaart van Nederland beter dan welke witte leeftijdsgenoot ook. Onbegrijpelijk dat juist deze mensen worden uitgemaakt voor niet-geïntegreerd. Oma en Fatima waren deskundigen, ervaringsdeskundigen, die een enorm sociaal kapitaal hadden opgebouwd maar waarvoor er geen markt was.

Dit inzicht deed me denken aan een Hollandse overbuurvrouw die onlangs met een zwarte Afrikaan was getrouwd. Ze had hem ontmoet tijdens een vakantie in Gambia, was verliefd geworden, getrouwd en wonen nu samen. De helft van hun tijd brengen ze door met het bezoeken van overheidsdiensten: de vreemdelingendienst, de sociale dienst, de regionale opleidingscentra. Deze buurvrouw had snel door dat ze hele minderhedenprobleem in haar slaapkamer had. Maar ook voor haar deskundigheid was er geen markt.

Sinds enige jaren kom ik uit hoofde van m’n functie op de werkvloer van een wetenschappelijk onderzoeksorganisatie. Daar werkt een Surinaamse mevrouw in een van de ondersteunende afdelingen. Ze is zichtbaar verheugd als ze me ziet. Vorig jaar vertelde ze op een bijeenkomst hoe trots ze was met een “hoge” allochtoon van Surinaamse afkomst in de organisatie. Naarmate het aantal hoog geplaatste allochtonen in die organisatie toenam, voelde ze zich ook sociaal en emotioneel veiliger, en normaler, aan het werk. Voor mij was het niet nieuw. Ik kende deze gewaarwording uit eigen ervaring en uit vertellingen van andere allochtonen. Het meest is mij bijgebleven de ervaring met een jonge Surinaamse werkloze man die geen belangstelling had voor werk, eigenlijk voor niets wat ik belangrijk vond. Echt de stereotype allochtoon die het sociale vangnet verwarde met een hangmat. Het enige wat hem kon bekoren was voetbal. Toen het gesprek kwam op Ruud Gullit, veerde hij op. “Die is één van ons”, riep hij plotseling klaarwakker. Hij had plotseling een tweede ruggegraat gekregen, de trots en eigenwaarde straalden van hem af. Deze man, die als het ware bivakkeerde aan de onderkant van de samenleving, bleek nauw verbonden te zijn met geslaagde allochtonen.

Deze ervaringen zijn uit het leven gegrepen. Maar niet alleen daarom zijn ze van enige betekenis. Ze geven ook maatschappelijke processen weer. In het voorbeeld van Oma en Fatima, en van m’n overbuurvrouw, komen trefwoorden voor als “steun”, “veiligheid”, “wantrouwen”, “ervaring”, en implicieter, “miskenning”, “vernedering”, “afhankelijkheid”, “betutteling” voor. In het voorbeeld van de Surinaamse medewerkster en van de werkloze zijn de trefwoorden: “veiligheid”, “trots”, “eigenwaarde”, en implicieter, “identificatie” en “succes”.

Oma, die symbool staat voor de onderkant van de samenleving, is veel weerbaarder en zelfredzamer gebleken dan vanuit een slachtoffer perspectief is ingeschat. De oude minderheden zijn inmiddels gevestigde minderheden: Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen hebben plaats gemaakt voor nieuwe etnische groepen als Somaliers, Afghanen, Joegoslaven. De omvang van de onderklasse is afgenomen, en ook de bevolking is niet meer dezelfde. Ziedaar één van de grote successen van de multiculturele samenleving.

Het tweede voorbeeld vooronderstelt het bestaan van succesvolle allochtonen zoals Ruud Gullit. En inderdaad. De afgelopen decennia heeft zich een allochtone middenklasse ontwikkeld. We zien ze in de sport, in de medische sector, in de juridische sector, in het ondernemerschap, in de welzijnssector, in de politiek, in de categorie schrijvers, dichters, en journalisten. Deze middenklasse, die overigens niet in alle sectoren even sterk is ontwikkeld, spreekt met klem het idee tegen dat allochtonen dragers zijn van problemen en moeilijkheden. Daarom is de multiculturele samenleving geen drama zoals Paul Scheffer beweerde, en zeker geen mislukking. Integendeel. De successen wegen ruimschoots op tegen de nog bestaande problemen.

De allochtone middenklasse is concreet terug te vinden in arbeidsorganisaties. Haar bestaan is van groter belang dan een individuele optelsom doet vermoeden. De individuen zijn de trotse dragers van het succes, maar ook anderen ontlenen trots en eigen waarde aan dat succes. Het is van cruciaal belang om geslaagde allochtonen op zichtbare posities neer te zetten. Zij dragen gewild en ongewild aanzienlijk bij aan de identificatie met de organisatie, zij vergroten het gevoel van veiligheid en normaliteit bij de allochtone cliënten, zij vergroten de herkenning, de trots, de eigenwaarde, het eergevoel en het zelfrespect van andere allochtonen. Dit is een natuurlijk proces van empowerment die met dure trainingsbureaus niet is te bereiken. Ook al zijn het enkelingen die de zichtbare posities kunnen bezetten, deze bounties en tokens zijn van onschatbare waarde.

Maar er zijn meer redenen om de diversiteit binnen arbeidsorganisaties te bevorderen, vooral in de hogere functies. De meeste daarvan zijn te ontlenen aan het begrip democratie. Hoe hoger de functie, hoe meer gedeeld wordt in de macht en dus in de besluitvorming. De allochtone middenklasse is niet zo ver. Zo zien we steeds meer allochtone medische specialisten in de ziekenhuizen, maar niet in de besturen van de medische beroepsorganisaties, de ziekenhuizen of van de medische faculteiten. Een tweede reden is dat van representatie: dat is beslissend in een democratie. En die vertegenwoordiging hoeft niet eens bewust of gewild te zijn. Het simpele feit dat er geslaagde allochtonen op zichtbare posities zijn, maakt al heel wat uit voor andere allochtonen. Een derde reden is dat van de eerder genoemde emancipatie en de daaraan verbonden identiteitsontwikkeling. De empowerment, het gevoel iets of iemand te zijn – dus zich beschermd of erkend te weten – zijn belangrijke effecten om de cohesie van de arbeidsorganisatie of van de groep te bevorderen.

Nu hoeft deze diversiteit in de hogere functies niet per se evenredig te zijn. Dat is ook onmogelijk. De variatie in afkomst en nationaliteiten neemt toe, en de groepen zijn klein. Probeer daar een afspiegeling van te maken. Waar het om gaat is dat er allochtonen in hogere functies zijn, zoals dat ook geld voor homo’s en vrouwen. Streven naar een precieze evenredige vertegenwoordiging gaat voorbij aan de functies die de diversiteit voor groepen vervult. Het gaat hierbij ook niet om individuele diversiteit, waarbij afkomst, huidskleur, seksuele geaardheid van belang zijn, maar om culturele diversiteit, dus om een losse groepsvertegenwoordiging. De redenen om de culturele diversiteit na te streven zijn dus niet omdat het zo mooi is, of omdat het soms een meerwaarde heeft, maar omdat een democratie dat vereist, omdat het de sociale cohesie bevordert en omdat het een kwestie van fatsoen is om mensen hun identiteit te laten.

Tegen het voorgaande kan men een aantal bezwaren inbrengen. Men kan bijvoorbeeld aanvoeren dat het een blijde boodschap is. Het volksgeloof wil dat diversiteit leidt tot spanningen, zoals momenteel de overtuiging heerst dat culturele verschillen verantwoordelijk zijn voor alle problemen in de multiculturele samenleving. En dus moet de immigratiepoort dicht en de aanwezige allochtonen worden onderworpen aan een grootscheepse witwasoperatie. Maar stel dat iemand meegaat met die verheven woorden als democratie en emancipatie. Dan nog bestaat er een aantal lastige kwesties. Denk aan de extra kosten die een diversiteitsbeleid met zich meebrengt. Een dergelijk argument doet me denken aan de fusie die streekscholen in de jaren negentig ondergingen. Voor elke vrouw in het bestuur van de nieuw gefuseerde scholen trok het toenmalige kabinet een eenmalige subsidie van drie ton uit. Dat was een niet te negeren prikkel. Enkele maanden later las ik in een P & O blad dat personeelsfunctionarissen bij een bepaald bedrijf die erin slaagden een allochtoon binnen te halen, in aanmerking kwamen voor extra airmiles. Ik wist toen niet of ik het artikel moest negeren of me beledigd moest voelen, en tot de dag van vandaag weet ik nog niet. Maar de portee is duidelijk. Allochtonen wegen politiek veel minder zwaar dan witte vrouwen.

Diversiteit heeft niet alleen betrekking op de vertegenwoordiging van groepen op de verschillende functieniveaus in arbeidsorganisaties. Het vooronderstelt dat de clientèle ook diverser wordt en vooral dat de aangeboden producten worden aangepast. Dat is niet altijd mogelijk. Simpelweg omdat we niet alle kennis in huis hebben of geen tijd en middelen willen vrijmaken om die kennis te genereren. Naast de innovatie in arbeidsorganisaties is er namelijk een dwingende routine die gevolgd moet worden. Dus alle verhalen over daadkrachtige managers ten spijt, – diversiteit geeft vaak hoofdpijn. En hoe managers hun hoofdpijn bestrijden, behalve door de andere kant op te kijken, dat weten we nog niet.

Nog een dilemma (en dan hou ik op). Allochtonen in arbeidsorganisaties vervullen vaak een antenne functie, zowel binnen de organisatie als naar cliënten toe. Omdat zij de leefwereld van allochtonen beter kennen, zijn zij in staat cultuurbepaalde signalen als mimiek, toon, gedrag vaak beter te interpreteren. Dat leidt tot een betere en eerlijkere bejegening in de dienstverlening. Dat allochtone medewerkers een vorm van cultureel kapitaal vormen, dat zij ook een antennefunctie vervullen, is managers niet ontgaan. Dus krijgen allochtone medewerkers gevraagd en ongevraagd een bordje allochtone zaken toegeschoven. Maar hier doet zich een bekend verschijnsel voor. Veel allochtonen voelen zich ongemakkelijk bij deze onbetaalde taakbelasting, ze krijgen last van jeuk en kriebel, een soort eczeem gevoel. Want zij ervaren deze informele taak als een devaluatie, zoals vrouwen in arbeidsorganisaties steeds meer ingezet werden voor vrouwenzaken. Het is dus volstrekt begrijpelijk waarom succesvolle allochtone last krijgen van eczeem gevoelens. En toch zou ik tegen hen willen zeggen: doe het nou maar, het is een kwestie van zelfrespect.

Ruben Gowricharn

Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Ruben Gowricharn

Column: Raciale beelden in Nederlands burgerschap

Geplaatst

op

By

Het was tijdens de verkiezingscampagne van 2016, toenLodewijk Asscher in debat met Geert Wilders riep: “Nederland is van onsallemaal”. Waarop Wilders repliceerde “Nederland is niet van ons allemaal,Nederland is van de Nederlanders.” Asscher stokte, maar stelde niet de vraagwie nou die Nederlanders zijn. Mijn eerste vermoeden was dat Wilders met‘Nederlanders’ de blanke Nederlanders bedoelde, terwijl Asscher verwees naaralle burgers die het Nederlands staatsburgerschap bezaten. Maar wie denkt datalleen extreem rechtse politici het Nederlands burgerschap voorbehouden aanblanken, vergist zich. Op 29 november 2017 brachten alle nieuwszenders eenbericht van president Trump over een Nederlands akkefietje. Op de beelden vanNOS was te zien hoe een jongeman een andere aframmelde. Trump zou op dat beeldhebben gereageerd en de agressor hebben gekwalificeerd als een Moslim. RTL-4bracht het bericht dat volgens het Openbaar Ministerie de dader geen Moslim wasmaar ”een geboren en getogen Nederlander”. Deze formulering was niet alleen opde televisie te horen, maar ook op BNR-radio en andere media. Het argumentsluit uit dat geboren en getogen Nederlanders ook Moslim zijn. Ook het OM gaater, zoals Wilders, van uit dat Nederlanders blanken zijn, in elk geval geenmoslims. Het opmerkelijke was niet alleen dat deze formulering van het OM kwam,maar dat geen van de media daar iets van zei.

Een ambtelijke misser? Blindheid van de media? Misschien. Op13 december 2017 bracht Editie-NL een vergelijkbaar bericht. Een Marokkaansgezin werd een huurwoning geweigerd omdat de eigenaar ervoor gekozen zou hebbenom alleen aan mensen van Nederlandse afkomst te verhuren. De zaak werd alsdiscriminatie afgedaan, maar weer viel het de media niet op dat de referentie-en voorkeursgroep bestaat uit blanke Nederlanders. Volgens de bemiddelendemakelaar was het bericht een persoonlijke verwoording van de medewerker, nietvan de eigenaar van de woning. De medewerker is per direct op non-actief gezet.Het gaat er bij mij niet om wie de schuldige is, maar om de grote implicieteconsensus wie ‘de Nederlander’ nou is. Dat het hier om een ongelukkigeformulering gaat is weinig geloofwaardig. Daarvoor zijn nationalistischeverwijzingen naar Nederlanderschap, dat in de beleving van het populistischtribalisme, blank is, teveel. De grote aanhang van populistische politiekepartijen en de overname van hun gedachtengoed door tal van gevestigde partijendoen vermoeden dat dit gedachtengoed in alle belangrijke instituties van desamenleving is ingeslopen en ondertussen onder grote delen van de bevolking alsnormaal wordt beleefd. Dat is het nieuwe gezicht van de banaliteit van hetkwaad (naar Hannah Arendt).

In de samenleving, en ook in de sociale wetenschap, is ereen grote terughoudendheid om te spreken van racisme. Dat legt niet alleen eenals onterecht beleefde verbinding met de Tweede Wereldoorlog, maar het tast ookhet zelfbeeld van Nederland als onschuldige bevolking aan. Een uitkomst is hetbegrip ‘cultureel racisme’, dat verwijst naar de culturele superioriteit van deWesterse cultuur zonder te suggereren dat er sprake is van ras en rassensuperioriteit.Maar de superioriteit is wel in allerlei bewoordingen onderstreept. We kennende verwijzingen naar de Verlichting, de achterlijkheid van de Islam, de eersterechten van het ‘eigen volk’, en nu de ‘gewone man’ die – voor wie het niet isopgevallen – blank is. De superioriteit van de Westerse cultuur mag dan inwoorden ontkoppeld te zijn van het ‘blanke ras’, maar de verwijzing naar wittemensen als norm om achterstelling te rechtvaardigen wordt steeds openlijker.

En steeds meer allochtonen volgen de Nederlandsesuperioriteitswaan. Door zich met blanken te identificeren, voelen dezeallochtonen zich ook verheven boven andere allochtonen. Dat komt tot uiting dehele leefstijl, inclusief het stemgedrag. In de politieke wetenschap spreekt menvan een ideologische hegemonie, wat een overwicht betekent van een bepaaldgedachtengoed dat het politiek-intellectueel bezit is van een andere groep, wateen klasse of een ethnische groep kan zijn. Maar de hedendaagse hegemonie gaatverder: het omvat een leefstijl, het brengt het blanke gedachtengoed in depraktijk. Op zich hoeft ‘blank’ niet slecht te zijn. Alle immigrantengroepenkunnen veel leren van Europa. Maar Europa heeft ook kwalijke kanten zoals eengecultiveerd racisme en een hardnekkig volgehouden onschuld. ‘White innocence’,witte onschuld, noemde hoogleraar Gloria Wekker het in één van haar laatsteboeken. Het is een hardnekkig volgehouden onnozelheid. Ook deze attitude zienwe terugkomen bij veel extreemrechtse allochtonen. Je kan dit het toppunt vanintegratie noemen maar het laat wel een wrange smaak bij mij achter. Het ismijn stellige indruk dat deze culturele ontwikkeling een extra belasting –psychisch, moreel, cultureel en politiek – is voor mensen die zich moetenverhouden tot de Nederlandse samenleving. En omdat politici deze uitsluitingtoelaten, zelfs propageren, en steeds meer gesteund worden door allochtonen,tast het makkelijker de rechtsgelijkheid van burgers en daarmee een hoeksteenvan de democratie aan. Dat maakt mij niet geruster op, alle mooie woorden tenspijt.

Ruben Gowricharn
Hoogleraar Hindustaanse Diaspora Studies
Vrije Universiteit

Lees verder

Ruben Gowricharn

Column: Suriname – ver en dichtbij

Geplaatst

op

By

Enkele jaren geleden kuierde ik langs één van de brede straten van Miami. Uit de tegenovergestelde richting kwam een creools gezin. Het was te zien dat ze geen Amerikaanse of Jamaicaanse creolen waren, maar waar ze precies vandaan kwamen kon ik niet opmaken. Ik keek dus een beetje nieuwsgierig naar de mensen. De vrouw zag mij kijken en riep plotseling met uitgestoken vinger: ‘Surinamer!’. Zij waren inderdaad Surinaamse creolen. Maar ook de vrouw kon mij als Surinamer herkennen, hoewel ik toen meer dan een kwart eeuw in Nederland woonde.

Dit gedrag is niet onbekend: we zoeken overal op de wereld naar Suriname en Surinamers. Wijlen Rudi Kross sprak van ‘Surinamitis’, een obsessie die gelijkenis vertoont met een ziekte, maar één die we koesteren. En wat we koesteren is een gevoel dat de neerslag is van herinneringen, beelden, emoties. Mezelf definieren als Surinamer bevrijdt me van de Nederlandse verplichting om me voor een Hollander uit te geven, het geeft me de emotionele rust en zekerheid dat ik ergens vandaan kom en nog steeds daar thuis ben. Suriname is thuis. Niet dat ik me geen Nederlander voel, maar dat gevoel legt het af tegen het besef dat m’n emotionele ankers verbonden zijn met Suriname. Als je de vergelijking met een familie wilt maken: Suriname is het huis van m’n ouders, Nederland het huis van m’n schoonouders. Aangetrouwde familie, een analogie die voor veel landgenoten letterlijk opgaat.

Is dit nostalgisch gezwets? Nee, nostalgie is uitsluitend gebaseerd op zaken uit het verleden. Dat verleden speelt bij mij ongetwijfeld een rol. Als ik door de districten rijd herleeft de plantagegeschiedenis van het land. Een blik op de Surinamerivier geeft je een idee wat het woord ‘tijdloos’ betekent. Wat je in Suriname ook bezoekt, waar je ook naartoe gaat, de geschiedenis praat tot je. Het is niet moeilijk om in Suriname een beeld te vormen van het leven van de blanke planters, de zwarte slaven, de Hindostaanse en Javaanse contractarbeiders, de kleine boeren, de Chinese kleinhandelaren en allerlei andere groepen mensen. Suriname is zwanger van geschiedenis: van het plantagewezen, van de plurale samenleving, van het Nederlands kolonialisme, maar deze zwangerschap leidt niet tot een baring. Daarvoor wentelt men zich daar nog teveel in het slachtofferschap en is er te weinig daadkracht om er iets van te maken.

Suriname is ook iets uit het heden. Dat begint bij de landing op Zanderij. Wie kent niet de gewaarwording dat er bij het uitstappen een keurslijf van je afvalt? Nee, geen vakantiegevoel alsof je in Istanbul bent geland, maar een gevoel van vrijheid. Wie herkent niet de vertrouwde geuren – de rook van brandend hout of de frisheid na een regenbui – tijdens de rit naar Paramaribo? En de muziek? Het gevoel thuis te zijn zonder dat je daar echt woont? Ik heb dat wel. Suriname is voor mij ook het land waar ik werk, het is nooit een vakantieland (geweest). Je went gauw aan het ritme van de dag, de mensen om je heen, het tempo van werken, het klimaat, het eten, de straathonden of de rommeligheid.
Hoe vaker je naar Suriname gaat, hoe sneller het opvalt dat het land sterk is veranderd. Het bruist meer dan dertig jaar geleden. Dat is te zien aan het aantal mensen op straat, hun nettere en soms dure kleding, het aantal auto’s, de eetgelegenheden. De consumptie is zeer westers. Pizzahut, MacDonalds en andere fastfoodgelegenheden, shoppingmalls, hotels kenmerken de veranderingen. Opvallend is ook dat veel schoolkinderen geen brood van huis meenemen, maar die nu kopen. Niet te negeren is dat de mensen harder werken dan vroeger. Ze hebben meer dan één baan, ze hosselen en klagen minder. Dat heeft consequenties voor de ontvangst. Als ik twintig jaar geleden bij aankomst vrienden opbelde om te zeggen dat ik in het land was, stonden ze een half uur later op de stoep. Nu is de reactie ‘wanneer vertrek je’?
Een deel van de verandering is minder zichtbaar. Surinamers gaan vaak op vakantie: vroeger naar Nederland, nu vooral naar de Antillen, Miami en Brazilie. Het welvaartsniveau is ongetwijfeld gestegen, maar waar komt het geld vandaan? De sterke verhalen willen dat het allemaal geld uit de drugshandel is. Het is veel plausibeler de gestegen inkomsten te verklaren uit nieuwe bronnen als de goud- en oliewinning. En de overmakingen uit Nederland. Dit laatste bedraagt al vijftien tot twintig procent van het nationaal inkomen.

Die verbinding tussen Suriname en Nederland blijft ondanks alle anti-koloniale rethoriek bijzonder. Dat realiseer je je tijdens gesprekken met andere Surinamers. De helft van de Surinaamse middenklasse heeft in Nederland gewoond, gestudeerd of gewerkt. Ze weten mee te praten over Nederland, kennen de onhebbelijkheden van de Hollanders, maar kunnen daar rustig afstand van nemen. De verwantschap is niet alleen cultureel. Surinamers in Nederland, met name creolen, zijn ingetrouwd in de Nederlandse samenleving. Aan de gemengde kinderen en het aantal blanken in het vliegtuig kan je die biologische assimilatie aflezen. Ook in het straatbeeld van Paramaribo is een toenemend aantal blanken te zien. Dat is niet alleen een effect van de nieuwe familierelaties. Steeds meer blanke stagiares vinden hun weg naar Suriname, en in hun kielzog, ouders die kindlief in dat vreemde land willen bezoeken.

De verstrengeling tussen Suriname en Nederland komt niet alleen tot uitdrukking in geldovermaking of oude en nieuwe relaties die zich allemaal richting Suriname bewegen. Er is ook een omgekeerde stroom van personen. Een belangrijk deel van de Surinaamse bevolking heeft studerende kinderen in Nederland. En steeds meer gepensioneerde Surinamers willen hun oude dag bij kinderen in Nederland doorbrengen.

Daarnaast is er een stroom van informatie en beelden die Suriname typeren. Een voorbeeld is Nina Jurna, de Surinaamse televisie reporter voor RTL-4. Telkens wanneer ik haar in Suriname tegenkom, is er bij mij een gevoel van herkenning. Dan vlieg ik op haar af en zeg ‘mevrouw Jurna …’ om dan iets doms te zeggen. En ik verbeeld me van haar gezicht af te kunnen lezen ‘Daar heb je weer die gekke Hindostaan die kennelijk niets te doen heeft’. Ze blijft vriendelijk, zonder mij aan te moedigen, zegt weinig en hoort zonder een spier te vertrekken al m’n onbenulligheden aan, niet beseffend dat ze een stuk ‘long-distance Suriname’ in Nederland is.

Je kan je in Suriname niet lang onttrekken aan de politiek. Dan blijkt dat het land ook ergerlijk kan zijn. Ik heb nooit begrepen waarom Suriname na de onafhankelijkheid niet verder is gegaan met de serieuze planpolitiek die zij decennia lang heeft gevoerd. Ondanks alle verhalen over potentiele rijkdommen kenmerkt het land zich door een onthutsend gebrek aan toekomstvisie, leiderschap en daadkracht. In beleidsrapporten worden allerlei vraagstukken aan de orde gesteld, de donoren staan op de stoep, maar een concreet beleid of kritische evaluatie daarvan is zeldzaam. Dat geldt voor uiteenlopende terreinen als armoedebestrijding, schooluitval en onveiligheid. Maar ook de economische politiek, de landbouw of het ondernemerschap zijn geen onderwerp van beschouwing. Evenals de politieke elite klopt ook de economische elite zich graag op de borst. De economische opbrengsten ziet zij als teken van goed ondernemerschap, daarbij vergetend dat die eerder te danken zijn aan de monopolieposities waar de Surinaamse economie vol van is.

Suriname is ook het land van de benepenheid. De sterk sociaal gescheiden circuits zou je niet verwachten in zo’n kleinschalige samenleving, toch komt het vaker voor dan buitenstanders denken. Het is een land met ‘ouderwetse’ oordelen over bijvoorbeeld vrouwen en homoseksuelen, over de politiek die alleen zou dienen om de eigen zakken te vullen of over ‘geld maken’ en ‘studeren’. Surinamers kennen geen discussiecultuur, ze zijn lichtgeraakt en een intellectueel of artistiek klimaat ontbreekt haast volkomen. Er bestaat een ergerlijke onverschilligheid jegens sociaal zwakkeren en talloze thema’s, zoals de creoolse culturele en politieke dominatie, zijn niet bespreekbaar. Die ergernis geldt ook voor de onwil om zich te interesseren voor elkaars culturen of voor de fragiele pers en democratie. Maar: ze laten elkaar ook – zeker vergeleken met Nedeland – met rust.

Dit alles, en nog veel meer, is Suriname – ondanks 45 jaar emigratie. Het is geen ziekte, het is méér dan een herinnering of een gevoel. Suriname is iets dat te benaderen is met het woord ‘liefde’. Ondanks alles, blijf je ervan houden.

Ruben Gowricharn

Lees verder

Meest gelezen