Hoofdstuk II De Doe | Culturu.com
Suriname Nieuws Magazine

Hoofdstuk II De Doe

  • 0 reactie(s)
  • 2553 x bekeken
  • 0 reactie(s)
  • 2553 x bekeken
*

atiwi

Hoofdstuk II De Doe
« Gepost op: 26 november 2010, 17:34 »
Odi iedereen

Hoofdstuk II
De Doe
Een buitengewone bedrijvigheid heerste vrijdag en zaterdag in het huis van mevrouw Bouman. Een menigte slavinnen was bezig met de bereiding van allerlei taarten en gebak, als: viàdoe, keksi, dikki-koekoe, Inglisiboloe, adòboewai (hetzelfde als dikki-koekoe, doch zonder boter bereid) en kostá (een soort van slemp). Bovendien waren nog een menigte Polka-, ananas-, rijst- en kokosnotentaarten gemaakt, die algemeen in de smaak vielen en in welker bereiding vooral de dames van weleer uitmuntten. Bij dit alles heerste een vrolijke opgewektheid, die het werk snel van de hand deed gaan. De sisi liep bedrijvig heen en weer om haar bevelen te geven, de inkopen te regelen en het werk voor ieder vast te stellen. Wijl het feestterrein op enige afstand lag, moest zij bovendien enkele malen haar drukke bezigheden aan het beheer harer vriendinnen overlaten, teneinde ook daar alles volgens haar aanwijzingen door de slaven ten uitvoer te doen leggen.

Even voorbij het Militair Hospitaal lag een grote tuin, die dikwijls voor dit doel gebruikt werd. Hier werden enige palen in de grond geslagen, het dak met zeildoek bedekt en aldus het aanzijn geschonken aan een tent van twintig voet breedte bij veertig voet lengte. In de breedte, naar de straat gekeerd, was zij eveneens met zeildoek afgeschoten, terwijl vlaggen aan enige staken, op de vier hoeken geplaatst, lustig in de lucht wapperden. Bezijden van de tent kwam men in een voorportaaltje van de binnenruimte, door een kleurig doek, bij wijze van portière, afgescheiden. Binnengetreden, zag men rechts in de lengte der tent, die geheel met palmtakken afgezet was, enige sofa's benevens enige stoelen en lage bankjes, waarvoor een stuk tapijt op de grond gespreid lag. Links waren enige planken op de blote grond gelegd. Het middengedeelte was netjes aangestampt. Hier stond een klein twee voet hoog mahoniehouten tafeltje met fraai bewerkte poten en keurig gepolijst. Dit tafeltje, dat kwakwabangi heette, doch niet als speeltuig diende, was als het symbool van het Doe-gezelschap en werd als zodanig in hoge ere gehouden. Het bezat ter rechterzijde een lade die uitgetrokken en met een stukje fijn damast bedekt was. Hierop werden de giften van de danseressen en der overige deelnemers gelegd. Op de hoeken stonden gueridons met zilveren voetstukken, fraaie boeketten waartussen allerlei beeldjes van ruiters, schutters en leeuwen. Guirlandes en kransen van groen en bloemen slingerden zich met vlaggendoek langs de zijde der tent. De gebinten waren met anjisa's (hoofddoeken), tapoe-skien-panji's (lange brede doeken over de schouder gedragen) en groen bekleed. Vier grote spiegels met brede vergulde lijsten hingen in 4 hoeken, terwijl nog twee andere tegenover elkaar in de lengte der tent geplaatst waren. Acht patent-olielampen met kaarsen-kronen hingen op bepaalde afstand. Tussen de spiegels en een zestal schilderijen vonden zestien kandelabers met fijn geslepen glazen reflectoren nog een plaats. Aan het benedeneinde der tent was een groot buffet opgeslagen.

Mevrouw Bouman liet met welgevallen de blik over de versiering weiden en spoedde zich weer naar huis, om de optocht der slavinnen, die de versieringen naar het feestterrein moesten brengen, te regelen. Want ondanks de grote bedrijvigheid en de aanhoudende zorgen der laatste dagen scheen zij geen vermoeidheid te kennen, mits zij slechts haar leidende hand in alles zien mocht.

Tegen half vijf waren de taarten, het gebak, de likeuren, wijn, jenever en dram, benevens glazen en karaffen met water, tussen kleurige doeken in grote baskieten (korven) gepakt. Twintig netjes geklede slavinnen met grote doeken in de hand plaatsten de baskieten voorzichtig op het hoofd. Als bij toverslag in de meest uitgelaten vrolijkheid gebracht, gingen zij nu door de negerpoort de straat op. Een paar slaven met hoofddoeken aan stokken gebonden, begeleidden het troepje; een slavin met een hoofddoek wuivende en het lichaam in allerlei kringen buigende, zong:

 A no alla disi
 Dit is niet alles
waarop allen in koor invielen:

 Moro de ette
 Er is nog meer
Het gezang moest niet alleen de belangstelling der voorbijgangers prikkelen, doch tevens hun aandacht vestigen op de grote hoeveelheid versieringen, die voor de feestviering weggebracht werden. Het duurde dan ook niet lang, of velen hadden zich bij het groepje aangesloten, en uitten voor een ogenblik hun vrolijkheid door het lied mee te zingen. Overal verschenen mensen voor de ramen om nieuwsgierig alles op te nemen en daarna te bespreken. Nauwelijks was het ene groepje voorbij of de tweede grotere groep volgde op de voet, en schreeuwde zo mogelijk nog luidruchtiger haar vreugde uit:

 A no diamanti Masra,
 Ma sisi foe Misgeene senni wi, o-o-oh!
 't Is niet de ‘diamanten meneer’ (een schatrijke slaveneigenaar)
 Maar de sisi van Misgeene die ons gestuurd heeft!
Ook dit lied moest de weelde van de feestviering aan allen kenbaar maken.

Bij het vallen van de avond heerste een onbeschrijfelijke drukte en gedrang in de straten, die leidden naar het ons bekende huis in de Keizerstraat. Vóór het huis verdrong zich een joelende menigte stadsslaven en vrijlieden, die in het flauwe licht der wassende maan de aankomst der deelneemsters verbeidden en haar goedkeuring, bewondering of afkeuring over de kleding hardop te kennen gaven. Enige hatelijkheden bleven niet onbeantwoord, zodat enige negerinnen mokkend de binnenplaats van het huis der sisi betraden en een rumoerig gesprek begonnen over de ondervonden beledigingen, die zij zich voornamen op Falsi Lobi te wreken.

Mevrouw Bouman liet haar ogen met welgevallen en trots gaan over de verzamelde menigte, waaronder wij in de eerste plaats de ‘koning’ opmerken. Deze had zich in een lange, afgedankte zwarte jas gestoken met goudpapier aan de zijden, op de borst, aan de opslagen der mouwen en de halskraag. Een paar epauletten van bord- en goudpapier en brede gouden tressen over de borst gaven een denkbeeld van zijn rijkdom en waardigheid. De zwartlakense broek, hem wel wat te kort, was eveneens met een drie duim breed galon van goudpapier versierd. De houten degen in een met goudpapier beplakte schede werd met de gouden sabelkwasten aan een ceintuur met een vergulde gesp gedragen. Een steek (toomhati) met wapperende witte pluim, roodgele kokarde en gouden lissen volmaakten zijn kostuum; het gebruik van schoenen was ook in dit geval de ‘koning’ verboden. Overigens zag Ta Kwamina er volstrekt niet kwaad uit en de weinige grijze haren, die van onder zijn hoofdtooisel zichtbaar waren, gaven een zekere waardigheid aan zijn slanke gestalte, door de ouderdom nog niet gebogen.

‘Ta Kwamina’, riep de sisi vergenoegd uit, ‘wat ben je mooi!’ Ta Kwamina sleepte zeer onkoninklijk bij dit compliment met de voeten over de grond als dank- en eerbiedsbetuiging aan zijn meesteres; de oude genoot dan ook van zijn waardigheid. ‘En zie me Ta Geluk eens aan!’ zeide de sisi lachende tot haar vriendinnen, die met haar allen vóór de optocht monsterden. Ta Geluk, de fiscaal, was ongeveer als de koning gekleed, doch niet zo rijk. De koperen knopen aan zijn lange jas blonken als goud en de epauletten en het galon aan jas, broek en hoed deed de glans van het goudpapier duidelijk uitkomen. De ‘dokter’ was netjes in het zwart gestoken en liep heen en weer te pronken met zijn mooie kleren. De jas zat hem wel wat erg gespannen, doch dit deed zijn forse ledematen beter uitkomen. Een glimmende hoge zijden hoed, brouwroe geheten, die slechts even met het zitvlak van zijn meester in botsing geweest en daarom alléén afgedankt was, dekte zijn trots hoofd. Met levendiger nieuwsgierigheid werd het vrouwelijk personeel opgenomen en gekeurd. De avo was in een wijde koto (rok) en jakje gekleed van rood katoen (seesi) met grote gele bloemen bedrukt. Overigens ging zij als verscholen in een soort mantel van aan elkaar genaaide, roodwitte tapoe-skien-panji's, die haar van de schouders afhingen. Om de hals droeg zij een dubbel snoer granathie, achtkantige wijnkleurige koralen, en aan de polsen en de enkels enige rijen bokà, kleine rode koralen. De tata en de mama waren eveneens netjes gekleed. De pikienmama had zich gestoken in rok en jakje van lichtblauw katoen met opgewerkte gele en roze bloemen, en daarom ‘kokarde’ geheten. Zij droeg een hoge taihede (kopro kankan), die als een torentje opstak. Afrankeer Lodrika was als de heldin van het feest het prachtigst uitgedost. Behalve onder- en bovenpaantjes en een hemd met kant aan de hals afgezet, droeg zij nog een viertal witte rokken, waarvan de bovenste een brede kanten zoom had. Daarover droeg zij een wijde rok van kamerdoek met grote ingewerkte bloemen, die onder de armen opgebonden, daarna met een blauw zijden doek boven de heupen vast gemaakt werd en waarvan de punten van achter afhingen. Verder had zij aan een ‘giepsie-baka-jakkie’, een van voren en van achteren diep uitgesneden jakje met wijde mouwen met een paar geplooide linten op de rug en nog twee andere op dezelfde hoogte aan de binnenzijde, teneinde het jakje op de rug te kunnen doen aansluiten. De brede ‘taihede’, eveneens van kamerdoek, die door middel van papier een grotere afmeting dan het hoofd verkreeg, was met gekleurde lintjes en strikjes versierd en werd van voren door een grote gouden broche vastgehouden. Aan de hals droeg zij een dubbel snoer bloedkoralen, dat halverwege het bovenlijf afhing en in een gouden slootje eindigde. In de oren hingen sjato-rienga, gouden oorhangers met blauwe steentjes. Aan de polsen, de enkels en onder de knieën droeg zij peeri, amberkleurige glasparelen in rijen van vier en vijf. Een keurig wit zakje met agrement afgezet, en met pailletten en zilverkleurig papier versierd, waarin geld en odeur bewaard werd, droeg zij op de linkerheup. Eindelijk had zij nog een neteldoekse tapoe-skien-panji, onder een andere van hemelsblauwe zijde, losjes over de linkerschouder geslagen, terwijl zij een met kant omzoomde batisten zakdoek in de hand hield.

De sisi nam Lodrika van alle kanten met zichtbaar welgevallen op: ‘Je bent mooi uitgedost, Lodrika, je zult vanavond een goed figuur maken.’ Lodrika lachte, doch zeide niets. Venus was gekleed in moni-dress, een peletot-jakje, dat aan het lichaam sloot en aan de hals, de mouwen en van onder met wit plooisel was afgezet. Zij had bovendien nog een snoer prachtige maka peeri, ronde met stekels voorziene gouden koralen, om de hals; om de polsen papaja-siri, eveneens van goud, en aan de enkels ovaalvormige gouden koralen, abiá-peeri geheten. Anderen droegen een kleeti-jakkie, dat in tegenstelling met het giepsie-baka-jakkie tot aan de hals dicht was en slechts het snoer bloedkoralen of een dubbel snoer dure arewépie, heel kleine benen koralen, of ook een gouden ketting deed zien, die op de borst afhing. Wederom anderen droegen djèmi, uit katoen met blauwe strepen als dobbelstenen en vandaar ook dobbloeston genoemd, en korte rokken, die halverwege de kuiten reikten en door bretels werden opgehouden. Hierdoor waren de scipioen foe mi bierti - als een schorpioen voor mijn buurman -, cilindervormige koralen met rode en witte banen, aan de enkels beter zichtbaar. Enkelen droegen krieri-téré, korte rokken met een smalle stootkant waaraan een smalle sleep, of ook zware maka (linnen) rokken met ovaalvormige gaatjes overal doorboord waar de helderwitte onderrok doorscheen. Enigen droegen ook bomstiki-jakkie, kleine jakjes met nauwe mouwen, evenals een paar der mannelijke deelnemers in nauwe bomstiki-broeken gestoken waren. Allen echter kwistig behangen en versierd met gouden oorbellen, broches en koralen, als antóbiaba, roodachtige ronde uit Afrika afkomstig, toe feesi soema - mensen met twee gezichten -, ovaalvormige half-wit-en-zwarte, en geelikrala, heel fijne gele koralen. Een paar droegen een kimijá aan een snoer figa krala, bloedkoralen in de vorm van vijgen, of wel krorin, lichtgele soort van ruitsgewijze geslepen koraal. Onder de benaming van kimijá verstond men een tweeënhalve centimeter lange band van gekleurde steen aan een zilveren oogje, een dubbeltje, waaraan eveneens een zilveren oogje was gesmeed en een zilveren sleuteltje aan een zwart koordje tezamen geregen. Dit werd als een beproefd middel tegen ogri-hai, de invloed van jaloerse blikken, beschouwd en gedragen.



Gr.Atiwi


Advertentie
Advertentie